De dingen die jouw ogen wilden zeggen,
die voelens, die jouw hart gaf te verstaan.
De woorden die hij grif bij liet geloven,
ze zijn voorgoed voorbij, voorgoed gegaan.
En de regen aan de ruiten flauistert nog hetzelfde lied,
en de wind blijft eeuwig ruisen,
eeuwig ruisen door het riet.
De dagen sprankelend als feestfonteinen,
de nachten opgeluisterd door de maan,
ze zijn voltooid verleden tijd geworden.
En niets is van hun glans blijven bestaan.
En de regen aan de ruiten flauistert nog hetzelfde lied,
en de wind blijft eeuwig ruisen,
eeuwig ruisen door het riet.
Wat eenmaal in jouw ogen stond te lezen,
het bleek een strofuur dat vanzelf weer dooft.
Want de liefde kan voor jou slechts een moment zijn,
waarin jij levenslang niet meer gelooft.
En de regen aan de ruiten flauistert nog hetzelfde lied,
en de wind blijft eeuwig ruisen,
eeuwig ruisen door het riet.