Susanne,
neemt je mee
naar een bank
aan het water.
Duizend schepen gaan voorbij
en toch wordt het maar niet lauwen.
En je weet
dat ze wat vreemd is,
want daarom
zit je naast haar en
ze geeft je pepermuntjes,
want ze geeft je graag iets tastbaars.
En net als je haar wilt zelf,
ik kan jou geen liefde gevelen.
Komt heel de stad tot leven,
hoor je meeuwen schreeuwen,
je hebt steeds van haar gehouden.
En je wilt er al met haar meegaan,
samen naar de hoverkant.
En je moet haar wel vertrouwen,
want zij houdt al jouw gedachten in haar hand.
En ze zegt...
Jezus was een visser,
die het water zo vertrouwde,
dat hij zomaar over zee liep,
omdat hij had leren houden
van
de golven en de branding,
waar niemand kan vertrinken.
Hij zei, als je blijft geloven,
kan de zwaarste steen niet zinken.
Maar
de hemel ging pas open,
toen zijn lichaam was gebroken.
En hoe hij heeft geleden,
dat weet alleen die visser aan het kruis.
En je wilt er al met haar meegaan,
samen naar de hoverkant.
En je moet haar wel vertrouwen,
want zij houdt al jouw gedachten in haar hand.
En Susanne neemt je mee,
naar een bank aan het water.
Je onthoudt waar ze naar kijkt,
als herinnering
voor later.