Jaren deed ik niets anders dan jokken.
Jaren deed ik niets anders dan dat.
Ik was nog jong maar jokte onverschrokken.
Ik jokte over onverschillig wat.
Ik jokte tegen iedereen.
Ik knetste overal omheen.
Als het ja moest zijn dan zei ik nee.
Ik was een rare leugenaar.
Toen ik ouder werd bleef ik maar jokken.
Alles wat oprecht was logikron.
Ik jokte zelfs mijn vriendjes van hun sokken.
En op zekere dag vroeg er een waarom.
Heb jij altijd leugens klaar?
Jokke, jokke, jokke maar.
Op je tong een grote blaar.
Je bent een foule leugenaar.
Probeer nu al een jaar of wat te stoppen.
Hoewel ik bang ben dat dat niet meer kan.
Ik zit verplaatst in midden van de brokken.
Ik snap er nu geen ene bars meer van.
Maar geef nou toe het is toch raar.
Zelfs als ik rot uit verklaar.
Ik ben een echte leugenaar.
Jok ik dan of is het waar?
Ik jokte tegen iedereen.
Ik knetste overal omheen.
Als het ja moest zijn dan zei ik nee.
Ik ben een rare leugenaar.
Ik ben een rare leugenaar.