Nou kijk wat ik jullie nu vanmorgen heb verteld, hoe dat gaat werken met het rooikapje.
Kijk, die drie varken, die hebben daar een strooihuisje gebleven.
Toen kwam het rooikapje van hun kijken en die vier zaten lekker aan die strooihuisje
en ze vatten koek en thee.
En net als ze lekker zaten koek en thee te vatten, toen kloppen ze in aan die dieren.
Tok, tok, tok.
Toen is die eerste vark net zo, just!
Wie zat?
En die wolf zei, dat is wolf.
En die varken zei, voetsak!
En die wolf zei, ga die huisje omblazen.
En die varken zei, try.
En die wolf loopt zit en hij blaast en daar valt die huisje om.
En daar horen die varken een rooikapje achterna.
En die wolf jaaf en hoort.
Maar gelukkig krijgen ze zo'n sterk bamboeseis.
Want zij hebben een huis gebouwd toen ze een bicyclebaan hebben gemaakt.
Ze horen in die huis.
Ze sluiten die dieren en ze vatten weer lekker koek en thee.
Die drie varken en het rooikapje.
En net als ze weer lekker zitten thee en koek en thee te vatten, toen kloppen ze weer in.
Tok, tok, tok.
En die tweede varken zei, just!
Wie zit nou weer?
En die wolf zei weer, maar die wolf is moe.
Hij zei, het is wolf.
En die varken zei, voetsak!
En die wolf zei, nou gaat die huisje ook omblazen.
Hij zei, try.
En hij ziet dat het een sterk huisje is.
En die wolf loopt zit.
En hij blaast.
Maar het is een sterk huisje.
Die wolf blaast zijn oog op later.
Hij zegt, het is bloedrooi van die bloeddruk.
En hij blaast zijn naalds die druk later, niet zoveel.
Die aardappel is een kaalkoolgezee, zo zijn aardappels vaak.
Maar op een gegeven moment...
Op een gegeven moment waaien die huizen dan weer.
En dan horen die varken weer rooikapjes achterna.
En dan horen ze, en dan horen ze, en dan blikken blomen.
En dan horen ze die wolkjes achteraan.
Maar toen die dieren vrijstaan.
Toen krijg je een lekker groot steenhuis van een boer wat bankrot geraakt.
En dat wordt doorgetreden.
En dan horen die huizen.
En dan sluiten die dieren.
En toen zei rooikapje, luister.
Ik ga het volverkoeken tegen, dan wil ik een dop hebben.
Ik kom keiveel jellen, ik hoor nog niet die laatste maandag.
En dan graven ze aan die kast rond die krelen.
Lekker, bottelen rammen.
En dan heeft die varken rooikapje vattenpast.
Maar na die tweede smaak is rooikapje losgekomen.
Die tap is af en die voorschot ligt dood.
En die schoenen en die omen zitten gevaarlijk.
En die mannen.
En ik zei aan die drie varken.
Ga dan spelen domino's.
Maar dan gaat het lekker.
En net wat het nu lekker aan die gang is, die klopt weer in.
En die dieren tok, tok, tok.
En toen zei de laatste varken net zo.
Cheers.
Bizar.
En die wolf zei, is wolf.
Is wolf.
En die varken zei.
Vertrek jou varken.
En die alle varken zien dat hij gezeip is.
Is gevaarlijk papa.
En die varken zei, ik ga die huis aanblasen.
En die varken zei, draai.
En die varken, die vijf wolf loopt ze.
En hij blaast.
Maar geen toeblasing.
Zijn oorpeel uit zijn naaldje drukken.
Ik weet ze aan bij aan laten, niet zoveel.
Maar hij is staan.
Rood kapetje zei, nee wat.
Hij kan niks maken.
Die gooi maar nog een sjala.
Maar wat zij niet weten.
Die wolf kan niet varen christmas tree.
En hij zit nog zo toevallig hier in die koorsteen af.
Maar toe al varken.
Ze gaan hier bij die vijzers uit.
En ze halen een sterretje staan.
Zo drie policemen ergens.
En rood kapetje zei.
Atena.
Maar die door in steken.
Want dat voeten is kapot.
En ze zien die wolf.
Wat hij nu vangt.
Maar zij draaien om.
Want zij klappen.
Die wolf.
Want zij kwijlen zo taai.
Maar zij zijn niks wijs.
Zij zeggen.
Voet zeg man.
Jij Jan heeft van mij gezien.
Zijn die storen niet.