Anne,
als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.
Anne,
die momenten zouden eeuwig moeten blijven duren.
S'morgens vroeg,
ik breng het ontbijt naar de kamer.
Er
is nog donker en jij ligt nog al te slapen.
Je ene been hangt uit de bed,
je haren door elkaar.
En ik geef je een zoen op je neusje,
maar je wordt het niet gewaar.
Anne,
als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.
Anne,
die momenten zouden eeuwig moeten blijven duren.
Je drinkt je koffie in het begin,
zachtjes van te praten.
Je kan het niet laten en toch moet je even gapen.
Maar,
voor die zondag dus hoeven we vandaag nog niets te doen.
We duiken terug naar de lagere zee en we vrijen het tot genoeg.
Anne,
als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.
Anne,
die momenten zouden eeuwig moeten blijven duren.
Je wrijkt je zachtjes tegen me aan,
je hoofdje in mijn zij.
En dan weet ik dat je van me houdt en dat maakt me blij.
Anne,
als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.
Anne,
die momenten zouden eeuwig moeten blijven duren.
Anne,
als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.
Anne,
die momenten zouden eeuwig moeten blijven duren.
Anne,
als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.
Anne,
die momenten zouden eeuwig moeten blijven.