Ik wonder wat van jou geworden is,
jij wordt nog zo bij mij spook.
Ik weet niet, ons heeft die vuur gemaakt,
die wereld aan die brand gestook.
Maar ons twee was die vele vents ablaren,
ons karkies leden jelle verroot vol.
Te zijn treinen en te zijn staties,
leden daar basis,
leden die ons spoeren.
En te zijn treinen en te zijn staties,
leden die ons basis,
van die ons komt nou verloeren.
Nog een zomer zonkers is,
wat de koningskind verjaart.
Ik schrijf voor jou uit de noorden,
en zal die post uitvraag.
Zal hij gaan draaien die zuiden,
bij die berg en die zee.
En daar waar mijn liefde kalverkloopt,
die nooddaad voor jou geeft.
Ik breng voor jou een zonnebloem uit Bethlehem,
en geef het water op bloemfontein.
Uit Hanover breng ik kapperkiesaat in die tuin,
vanom er drie dalings daar,
en hanenpoedrijven
uit die perlfallijn.
Alle die bergen nog zo blauw,
Alle die bergen nog zo blauw,
Alle die bergen nog zo blauw,
haar woorden zal ik steeds onthou.
Maar die moet jullie daarom weer,
Maar die moet jullie daarom weer,
Maar die moet jullie daarom weer,
haar woorden zal ik nooit vergeen.
Haar woorden zal ik nooit vergeen.
Ik schreeuw mijn oostkor nooit mee,
lijfse roels maak jou te drank.
En die bruik slijt soms te ver weg,
door die tralies van een drank.
Jan Blomsebak steunt huisjes,
Antistini'se kombuis.
Van zijn zari zaffer,
zwaar krijgt zij prijs.
En Jana is nu steefza,
door ien zijn hart is dood.
Van oude boyfriends wat op bikes rij,
en rondlees zonder brood.
Daar is een vrouw wat weet wat aangaan,
achter elke maan.
En ontstaan zij daar in die tranenloop,
zag hij zwaar haar wou.
En ons allemaal maakt toch fouten,
en zomaar kan ze spaan.
Zolang gaat daar een vrouw staan,
achter elke maan.
Zolang gaat daar een vrouw staan,
achter elke maan.
Op een berg in de nacht,
lijk ons een donker en vaag.
In die modder en bloed leek ik oud,
streepzak en rent liefde in mij.
En mijn huis en mijn plaats,
tot kolen verbrand,
zodat hun ons kan vangen.
Maar die vlammen en vier brand nu diep,
diep binnen mij.
Delarai, Delarai,
zal jij die boeren kom leid.
Delarai,
Delarai,
generaal,
generaal,
zoals een man zal ons om jou val.
Generaal Delarai,
hoor die kakies wat lachen,
aan kiep van ons, tegen jullie groot maat.
En die kransen leer tegen ons rug,
hun dinkt is voorbij.
Maar die hart van een boer,
let diepen en waaier, hun gaan het nog zien.
Op een berg komt hij aan,
die leeuw van die Westransvaal.
Delarai, Delarai,
zal jij die boeren kom leid.
Delarai,
Delarai,
generaal,
generaal,
zoals een man zal ons om jou val.
Generaal Delarai.
Delarai, Delarai,
zal jij die boeren kom leid.
Delarai, Delarai, generaal,
generaal,
zoals een man zal ons om jou val.
Generaal Delarai.
Delarai,
Delarai,
zal jij die boeren kom leid.
Delarai, Delarai,
generaal, generaal,
zoals een man zal ons om jou val.
Generaal Delarai.
Generaal, generaal,
zal jij die boeren kom al.
Generaal Delarai.